Samenvatting

Goud, zilver & zijde. Katholiek textiel in Nederland 1830-1965

Opkomst van de paramentennijverheid in Nederland 1800-1860

In het begin van de negentiende eeuw was er in Nederland nog geen sprake van een echte paramentennijverheid. Liturgische kleding en bijbehoren werden veelal in de eigen parochie gemaakt van niet voor kerkelijk gebruik bedoelde zijde. Nieuwe zijde en geborduurde paramenten werden geïmporteerd. De stad Lyon was de belangrijkste leverancier van zijden stoffen voor kerkelijk gebruik. Wat betreft het goudborduurwerk was Nederland vooral op België gericht. De ateliers van J.A.A. van Halle te Antwerpen en de familie Grossé te Brugge leverden de kostbaarste borduurwerken.

De eerste ateliers van betekenis vestigden zich in 1838 in Nederland: Daniël van Kalken, een koopman uit Antwerpen in Oirschot, en François Stoltzenberg, zoon van een Duitse textielhandelaar, in Roermond. In de jaren veertig en vijftig ontstonden de ateliers van T.A. Rietstap & Zoon te Den Haag en Van Gennip & Huijsman te Amsterdam. Rietstap was geheel gericht op het maken en verwerken van gouddraad. Van Gennip en Huijsman waren beide textielhandelaren. De eerste goudborduurders kwamen mogelijk uit België. Alleen de werknemers van Rietstap waren waarschijnlijk in Nederland geschoold, namelijk in het vervaardigen van goudborduurwerk voor uniformen.

Dankzij de import van textiel en het gebrek aan eigen traditie was de invloed van Frankrijk en België op de vormgeving van paramenten zeer groot. Tot omstreeks 1870 bleef de rijke vormgeving van de barok uitermate populair. In de geweven ornamenten overheersten kleurrijke, weelderige bloemmotieven, afgewisseld met ingeweven gouden of zilveren details. Het borduurwerk werd volledig uitgevoerd in goud- of zilverdraad over hoog reliëf. Zwaar rankenwerk, vermengd met in reliëf weergegeven bloemen en vruchten, bedekte de aurifriezen van de paramenten. Er is te weinig over het werk van de vroege borduurateliers bekend, om uitspraken te kunnen doen over de individuele stijlen van de ateliers. Alleen van Stoltzenberg zijn enkele goudborduurwerken bekend, die zich onderscheiden door hun grote plastische werking en goede kwaliteit.

De neogotiek en de paramentiek 1900-1930

De negentiende eeuw was een tijd van groeiend zelfbewustzijn voor de katholieken in West-Europa. Zeker in Nederland, waar zij vanaf de reformatie een ondergeschikte rol hadden vervuld, ontstond er een grote behoefte aan onderscheiding en daarmee aan een eigen stijl. De kunst uit de middeleeuwen, voor de katholieken een onbedorven periode, werd als voorbeeld genomen. Zij werd vanaf jaren de veertig van de negentiende eeuw van overheersende belang.

De neogotiek was in eerste instantie nauwelijks van invloed op de vormgeving van de paramenten. Er was zeer weinig bekend over de geschiedenis en de oude gewaden en borduurwerken moesten nog herontdekt worden. De vroegste en belangrijkste publicaties over dit onderwerp werden geschreven door de Engelsman A.W.N. Pugin (Glossary of ecclestical ornament and costume, 1844), de Fransen Prosper Guéranger (L’année liturgiques, 1841-1866), Victor Gay (‘Vêtements sacerdotaux’, in: Annales archéologiques, 1844-1848), Arthur Martin (Mélanges d’archeologie, d’histoire et de littérature, 1848-1868) en Charles de Linas (Anciens vêtements sacerdotaux et anciens tissus conservés en France, 1860-1863) en de Duitse priester Franz Bock (Geschichte der liturgischen Gewänder des Mittelalters, 1859-1871). In de tweede helft van de negentiende eeuw werd de basis gelegd voor vele belangrijke textielverzamelingen. De belangrijkste verzamelaar Franz Bock deinsde er niet voor terug stukken uit gevonden textiel te knippen voor zijn eigen verzameling. Zijn oogmerken waren idealistisch; de verspreide stukken dienden ter studie en navolging. Ook in Nederland ontstonden dergelijke verzamelingen. In 1869 opende het Bisschoppelijk Museum te Haarlem haar deuren, in 1872 het Aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht.

De letterkundige Joseph Alberdingk Thijm was de centrale figuur voor de neogotische beweging in Nederland. Hij wist met zijn tijdschrift Dietsche Warande. Tijdschrift voor Nederlandsche oudheden, en nieuwere kunst & letteren (1855-1899) velen te bereiken. De architect Pierre Cuypers werd het gezicht van de neogotiek in Nederland. Cuypers was echter geassocieerd met Stoltzenberg en liet het terrein van de paramentiek over aan zijn zakenpartner. De in Utrecht gestationeerde priester Gerard van Heukelum was van grotere invloed. Van Heukelum was een groot bewonderaar van de Duitse priester Franz Bock. In de jaren zestig begon hij middeleeuwse textielfragmenten en paramenten te verzamelen die hij ter beschikking stelde voor navolging. In 1869 richtte hij het Sint-Bernulphusgilde op, waarin aanhangers van de neogotiek verenigd werden. De belangrijkste kunstenaars van de zogenaamde Utrechtse school van de neogotiek waren de architect Alfred Tepe, de edelsmid Gerard Brom en de beeldhouwer Friedrich Wilhelm Mengelberg. Hun opvattingen werden verwoord in Het Gildeboek (1873-1881) en het jaarlijkse Verslag van het St. Bernulphus-Gilde (1886-1916).

Het Roermondse atelier Stoltzenberg en het Amsterdamse atelier Van Gennip & Huijsman leverden al in de jaren vijftig werk in de neogotische stijl. Groot was de productie in de eerste jaren nog niet. In de jaren zestig en zeventig kwam er een volgende generatie producenten aan bod. J. van Hove en J. Laumen, die in 1863 voor zichzelf begonnen, waren beiden jarenlang werkzaam geweest in het atelier van Stoltzenberg. Dit gold waarschijnlijk ook voor M. Kluijtmans, die zich halverwege de jaren zestig in ’s-Hertogenbosch vestigde. G. Funnekotter begon eind jaren zestig als vertegenwoordiger van Stoltzenberg in Utrecht. Daarnaast werden de eerste oprichters van de Nederlandse paramentenateliers opgevolgd door hun zoons. François Stoltzenberg volgde in 1875 zijn vader op. De jongste zoon en naamgenoot van Daniël van Kalken nam het bedrijf in Oirschot over, zijn oudere zoons en zijn schoonzoon Janssen startten bedrijven te Breda (1864), Tilburg (1864), Mechelen (1870) en Weert (ca.1877). Ook de in 1874 in Amsterdam gevestigde C.H. de Vries was waarschijnlijk opgeleid in een al bestaand bedrijf. Dit geldt ook voor de derde generatie paramentenleveranciers. Van grote betekenis werden de ondernemingen van H. Funnekotter, neef van G. Funnekotter, en van zijn zwager H. Fermin. Beiden vestigden zich in eerste instantie in Delft, respectievelijk in 1883 en 1888, maar vertrokken al snel naar Rotterdam en Den Haag.

Kloosterateliers ontstonden in Nederland pas zeer laat. In 1879 vestigde het van oorsprong Akense klooster van de Zusters van het Arme Kindje Jezus zich binnen onze grenzen, inclusief het al in 1848 opgerichte atelier. De Kulturkampf in Duitsland had hen het bestaan onmogelijk gemaakt. Het kloosteratelier was mede dankzij de ondersteuning van Franz Bock groot geworden. Vanaf de jaren tachtig produceerde het klooster van de Zusters Franciscanessen te Eemnes toonaangevend borduurwerk, mogelijk op instigatie van Van Heukelum. De productie van deze kloosters was qua omvang niet vergelijkbaar met die van de commerciële ateliers, maar zij waren wel van groot belang voor de ontwikkeling van de neogotische borduurkunst.

Eind negentiende eeuw domineerde de neogotiek elk aspect van de kerkelijke vormgeving. Er zijn twee types van decoratie te onderscheiden. Als eerste waren er de met rankenwerk versierde paramenten, waarvan de vormgeving aanvankelijk nog zeer dicht stond bij die van de neobarok. Symbolische motieven als rozen, lelies en passiebloemen overheersten. De vormgeving werd geleidelijk aan sterker beïnvloed door die van middeleeuwse decoraties, zoals bekend uit geïllustreerde handschriften en de edelsmeedkunst. In de loop der jaren ging het kleurige en schilderachtig uitgevoerd zijdeborduurwerk de overhand nemen, ten koste van het goud- en zilverborduurwerk.

Bij het tweede type decoratie is dit gedetailleerde en schilderachtige zijdeborduurwerk dominant aanwezig. De versieringen zijn ditmaal werkelijk ontleend aan Nederlandse borduurwerken, zoals die de paramenten in de vijftiende en zestiende eeuw versierden. Kleurige heiligenfiguren en schilderachtige Bijbelse taferelen zijn geplaatst in een architecturale omlijsting. Rond 1900 was de kennis en vaardigheid van de borduurateliers fenomenaal geworden. Middeleeuwse composities en borduurtechnieken konden exact gereproduceerd worden. De lessen die geleerd waren uit de bestudering van middeleeuwse paramenten waren zeer gunstig voor de ontwikkeling van de borduurkunst.

De mechanisatie van de zijde-industrie was vanaf de jaren zeventig van grote invloed op de paramentennijverheid. Vooral het Duitse Krefeld werd belangrijk voor de leverantie van kerkstoffen en kant en klare ornamenten. Franz Bock leverde vanaf 1859 stoffragmenten uit eigen collectie aan fabrikanten ter navolging. Het ging hier vooral om middeleeuwse Italiaanse zijdedamasten met patronen van islamitische oorsprong, gedecoreerd met fabeldieren en jachttaferelen. Vooral de zogenaamde hertenstof en leeuwenstof werden enorm populair. Aan het einde van de eeuw volgden de laatmiddeleeuwse, zware brokaten met granaatappelmotief. Naast kopieën van originele stoffen werden er veel patronen uitgevoerd die op de middeleeuwse vormentaal waren gebaseerd. Ook neogotisch vormgegeven onderdelen als kazuifelkruisen, aurifriezen en koorkapschilden werden in de weverijen geproduceerd.

Op gebied van het borduurwerk waren er eveneens belangrijke ontwikkelingen. Er werden technieken ontwikkeld om met minder inspanning hetzelfde rijke effect te verkrijgen als bij de volledig handgeborduurde paramenten. Fijn geweven stoffen en beschilderd satijn gingen dienen als ondergrond voor grover borduurwerk. De borduurmachine maakte het snel aanbrengen van lijnen en vlakvullingen mogelijk. De productie van een aantal ateliers werd dankzij deze gespecialiseerde technieken zeer hoog. Zowel Belgische als Duitse ateliers leverden seriematig vervaardigde geborduurde ornamenten, die los verkregen konden worden. De leverancier hoefde in principe alleen nog maar te zorgen voor de assemblage. Zeer betaalbare producten overspoelden de Nederlandse markt. Voor het eerst vestigden zich handelaars in Nederland die geen enkele kennis hadden van de borduurnijverheid.

 

Neogotiek en nieuwe kunst 1900-1930

In de jaren negentig ging een nieuwe generatie katholieke kunstenaars zich verzetten tegen de dominantie van de neogotiek en de overvloed van fabrieksmatig vervaardigd werk. Omdat men decennia lang de overtuiging had gekoesterd dat de gotiek de enige, echt katholieke stijl was, werd een nieuwe stijl niet zomaar geaccepteerd. Art nouveau, expressionisme en abstractie waren voor de kerk lang onaanvaardbaar. Wel ging men zich meer richten op de essentie van de kunst uit de middeleeuwen, niet op de uiterlijke kenmerken. De Beuroner Schule vertegenwoordigde deze opvatting. Deze kunststroming was al eind jaren zestig ontstaan in het benedictijner klooster van Beuron, maar pas na 1900 werd zij van grotere invloed. Strenge geometrie, het vermijden van dieptewerking en vlakheid van de voorstelling werden uitgangspunt voor de schilderkunst. De uiterlijke kenmerken van de Beuroner Schule zijn vooral terug te vinden in Duitse paramenten. Ook werden er enkele damasten in de stijl van Beuron door Krefeldse firma’s uitgevoerd. Afgezwakte kenmerken van de Beuroner Schule zijn tot ver in de jaren twintig terug te vinden in het werk van enkele Duitse ateliers, waaronder Krieg & Schwarzer te Mainz. Dit atelier leverde van de jaren 1910 aan twee nieuwe Nederlandse bedrijven: P.P. Rietfort te Haarlem en H. Verbunt-Van Dijk te Tilburg.

Ook Nederlandse kerkelijke kunstenaars gingen de vernieuwing zoeken in versobering en geometrie. Volledige abstractie en expressionisme waren binnen de kerk nog uitgesloten, maar juist de gematigdheid van de decoratieve kunstenaars leidde tot een heel eigen Nederlandse stijl: het monumentalisme. De decoratie van textiel werd soberder en abstracter.

In de ons omgevende landen werd meer geëxperimenteerd met de toepassing van moderne kunststromingen op de vormgeving van paramenten dan in Nederland. De in Kevelaer gevestigde, van oorsprong Nederlandse kunstenaar Leo Peters, behoorde tot de belangrijkste vertegenwoordiger van de geometrische art nouveau. In Nederland was de stijl eigenlijk alleen van invloed op de decoratie van vaandels; de kenmerkende spiraalmotieven zijn vrijwel op alle vaandels uit de tweede helft van de jaren 1910 te vinden. De grootste vaandelproducenten uit die tijd – C.M. van Diemen te Dordrecht, de gebroeders Van Oven te Den Haag en G.M.R. Werson te Rotterdam – waren geen van allen katholiek en lieten zich sterker door de mode beïnvloeden dan de paramentenateliers. In België werd de art deco van groot belang voor de vormgeving. De Brugse firma Grossé exporteerde vanaf de jaren twintig zeer veel sobere, met applicaties gedecoreerde paramenten, onder andere naar Nederland.

Nederland zou in de twintigste eeuw een eigen weg gaan bewandelen op het gebied van de vormgeving van paramenten. Vertegenwoordigers van de nieuwe generatie Nederlandse katholieke kunstenaars, zoals Joseph Cuypers, Jan Dunselman en Theo Molkenboer, lieten hun ontwerpen bij het Haagse atelier van H. Fermin uitvoeren, een van de beste borduurateliers van Nederland. Het gaat hier om fijn borduurwerk, nog steeds met schilderachtig uitgevoerde figuren, maar dan tegen een gesloten gouden achtergrond, en omgeven door moderne florale motieven en sobere omlijstingen. Andere ateliers, zoals H. Funnekotter te Rotterdam en Cox & Charles te Utrecht, zochten de vernieuwing vooral in de versobering van het gewaad. Zij gebruikten nog steeds de neogotisch vormgegeven damasten en geweven banden, maar maakten hier wijde, soepele, nauwelijks gedecoreerde gewaden van. Ook het in 1925 opgerichte Sint-Bernulphushuis te Amsterdam van de broers Jan Eloy en Leo Brom vertegenwoordigde deze opvatting.

Monumentale en primitieve kunst 1925-1955

Vanaf eind jaren twintig gingen in Nederland twee stromingen elkaar bevruchten: het monumentalisme, de typisch Nederlandse stijl die vooral van invloed was op de schilderkunst, en het primitivisme, een uit Duitsland overgewaaide stijl, die sterk van invloed was op de borduurkunst. Het monumentalisme hing de principes aan zoals die door de Beuroner Schule waren geïntroduceerd: geometrie, vlakheid van de voorstelling en het vermijden van dieptewerking. Tot de belangrijkste vertegenwoordigers van deze stijl behoren Wally Kraemer en Alex Asperslagh. De stijl werd vanaf de tweede helft van de jaren twintig persoonlijker, expressiever en kleurrijker. De kunstenaars van de monumentale school, onder wie als belangrijkste Humbert Randag en Willem Wiegmans, hielden zich bezig met alle vormen van beeldende kunst en hadden geen bijzondere kennis van borduurtechnieken.

Vanaf de jaren 1910 waren er in Duitsland vele kunstnijverheidsopleidingen waar religieuze kunst en textielkunst gedoceerd werden. Uitgangspunt was de eenheid tussen materiaal, techniek en ontwerp. Inspiratie werd ontleend aan de kunst uit oude en vreemde culturen. Het middeleeuwse linnenborduurwerk met de enigszins primitief weergegeven figuren werd voor de kerkelijke kunst de belangrijkste inspiratiebron. In de tweede helft van de jaren twintig brachten verscheidene Duitse kunstenaressen van de primitieve school deze stijl naar Nederland, onder wie Joanna Wichmann, Hildegard Fischer, Hildegard Michaelis en Trude Benning. Nederlandse kunstenaressen als Jeanne Nijsten, Gerda Blankenheym en Johanna Klijn gingen werken in een zeer vergelijkbare stijl. Hun productie was relatief klein, omdat ontwerp en uitvoering in dezelfde hand lagen. Hier zou verandering in komen dankzij twee nieuwe ateliers. De uit Duitsland afkomstige A.W. Stadelmaier en zijn echtgenote Magdalena Glässner begonnen in 1930 een eigen atelier in Nijmegen. De Hilversumse textielhandelaar J.L. Sträter richtte halverwege de jaren dertig een borduuratelier op. Zij zouden uitgroeien tot de belangrijkste paramentenproducenten voor Nederland. De in de jaren dertig heersende stijlen – het monumentalisme en het primitivisme – werden in deze ateliers tot een zeer eigen, expressieve Nederlandse borduurkunst omgevormd. De productie van Stadelmaier werd vanaf de tweede helft van de jaren dertig vooral bepaald door de kunstenaar Wim van Woerkom. In het atelier Sträter werd de monumentale kunstenaar Wim Nijs opgevolgd door Jacques de Wit. De principes van de Duitse school werden gretig verwerkt in zijn kleurrijke ontwerpen. Tot ver in de jaren vijftig drukten deze ateliers hun stempel op de paramentennijverheid.

De benedictijner orde liet zich ook gelden. De terugkeer naar het originele, zeer sobere en wijde gewaad had de orde al halverwege de negentiende eeuw gepropageerd, maar het zou tot ver in de twintigste eeuw duren voordat deze hervormingen zouden worden geaccepteerd. De architect en benedictijn Hans van der Laan werd van grote invloed. Hij was vanaf 1933 hoofd van het paramentenatelier van het Sint-Paulusklooster te Oosterhout. In de eerste jaren van het atelier werd er volop geëxperimenteerd, zowel op het gebied van model als stof en decoratie. Vanaf 1948 publiceerde Van der Laan artikelen over paramenten in de Franstalige tijdschriften van de benedictijner orde. Hij beschreef de originele modellen tot in detail en leverde patronen en gebruiksaanwijzingen. In de jaren vijftig groeide de afzet van het klooster. Andere ateliers gingen de voorbeelden navolgen, hoewel meestal in een aangepaste, makkelijker te dragen versie.

Op weg naar de ommezwaai 1945-1962

In de loop van de jaren veertig en vijftig kwam een steeds grotere behoefte naar betrokkenheid van leken bij de liturgie. De priester keerde zich naar het volk, waardoor decoraties op de rugzijde van de gewaden hun functie verloren. Daarnaast werd het strenge toezicht van Rome op de kunst langzamerhand losgelaten. Illustratieve kunst verdween, een sobere en puur abstracte vormgeving werd steeds meer geaccepteerd. Dit alles leidde tot grote onrust en stagnatie in de paramentennijverheid. Het Tweede Vaticaans Concilie bevestigde de veranderingen. Met de borduurkunst verdween het bestaansrecht van de meeste ateliers. Een enkel atelier overleefde de veranderingen, maar uiteindelijk zouden ook zij het dankzij de terugloop van kerkgangers moeilijk krijgen.

Reacties zijn gesloten.